+ 1 - 4 | § ¶Terloops gemaakte opmerkingen (2)
In zijn Aphoristisch-Gebliebenes (ofwel 'aforistische opmerkingen') uit 1903 schreef Otto Weininger:
Geschichte und Gesellschaft: Personen, die in einem Raume beisammen sind, bilden immer eine Gemeinschaft gegen Neu-Eintretende.
Aldus is geschiedenis de maledictie van de uitgewijde. Geschiedenis is de excitatie, exaltatie, exultatie van hen die zich welgeworteld geborgen weten. Het verleden ligt hen aan de voeten.
Wat is dan de prehistorie? Waar waren de mensen toen? Zij voelden de weerbarstigheid van de wereld en de vergankelijkheid van hun huid. En het een werd niet met het ander gekoppeld. De zon of maan stond aan de hemel, er was neerslag of niet, koude of warmte. Tijd vliedt gelijk het vlood, vloeit langs hen gelijk water. Gebeurtenissen gleden als los zand langs de tenen. Tot de historicus het grootser verband schiep, water mengde met zand. En sindsdien wanen de varkens zich God, badend in diluviale modder, jamais déraciné.